“Op een dag zal ik weg zijn en wat dan?”

Een ode aan Jotie

Jotie Adriaan T’Hooft, de dichter die elk melancholische puberhart sneller doet slaan, is ook in mijn boekenkast vast benoemd als een onvervangbaar icoon. Zijn gedichten werden geboren voor de dood en geven mondigheid aan datgene waar zo velen stil van worden. “Ge zijt niet alleen.”, fluisteren zijn woorden, terwijl ik als puistenkop voor de 3de maal door junkieverdriet blader. Ik heb absoluut nooit enige vorm van zelfmoordgedachten gekoesterd en was een immens gelukkig kind, maar ik stelde veel vragen. Niet het soort vragen waar iedereen een pasklaar antwoord op kon geven, maar wel vragen die geklasseerd werden onder ‘vergezocht’ en ‘overbodig’. Voor mij waren het echter de meest fundamentele vragen die iemand zichzelf kon stellen: “Wat doe ik hier eigenlijk verdomme?” Er is een tijd geweest dat ik er radeloos van werd. “Allé wat voor belachelijke vraag stel jij nu?”, was steeds het antwoord en niemand dacht er ook maar even aan mijn vraag au sérieux te nemen. Achteraf bekeken snap ik dat allemaal wel, want niemand kan daar een rationeel antwoord op formuleren. De drukte van het dagelijkse leven laat niet toe dat we nadenken over dat soort banale vragen en zelfs de meest geleerde filosoof komt niet verder dan speculatie. Om dit beeldschone leven toch met de glimlach te kunnen omarmen is het beter dat ik er niet té lang bij stil blijf staan, maar soms is er nog steeds een moment waarop ik heel even begin te wankelen en mezelf opnieuw de vraag stel wat ik hier eigenlijk godverdomme doe. Maar dat is niet erg, want het houdt me overeind. ‘T leven zou maar half zo leuk zijn als we alle antwoorden al hadden. Het is zonde dat de koning van de existentiële crisissen, Jotie himself, nooit tot dit inzicht gekomen is. Ondertussen herken ik mezelf al heel wat minder in zijn zwartgallige gedichten, maar hun waarde blijft dezelfde. Er staan niet genoeg dichtbundels van hem in mijn kast en ik was nog lang niet uitgekeken op zijn spitsvondig taalgebruik, maar ik ben al heel dankbaar voor de poëzie die hij wel heeft achtergelaten.

De afgelopen maanden verscheen de vroegrijpe poète maudit opnieuw op de publieke scène omwille van een controversieel debat over het behoud van zijn grafzerk te Oudenaarde. Het gemeentebestuur wil deze nog niet bezegelen als een beschermd monument omdat zijn levenswandel geen goed voorbeeld zou zijn voor de jonge en beïnvloedbare jeugd. Compleet naast de kwestie als je het mij vraagt, want er is niets zo verademend als een publieke figuur die eindelijk eens durft te spreken over een begraven taboe. We zouden een heus standbeeld uit de grond moeten hijsen en kinderen in middelbare scholen zouden les over hem moeten krijgen om aan te tonen dat het zeker ook anders kan. Hoe kunnen we verwachten dat zelfmoordpreventie zijn vruchten afwerpt als we koppig ons hoofd in het zand blijven steken en doen alsof er geen probleem is? Daarnaast spreken we hier ook over een dichter die met woorden omgaat alsof ze de penseelstreken van Vincent van Gogh zelf zijn, en iedere grote kunstenaar verdient het om bewonderd te worden. Is het dan niet meer dan eerlijk dat ook dit dichterlijk genie, en bijkomstig ook experimenteel gebruiker van bezoedelende middelen, een plaats in de geschiedenis krijgt? Ik denk dat ik hiermee de echte overbodige vraag gesteld heb…

Tot slot licht ik graag nog enkele van mijn meest gelezen en meest geliefde gedichten uit:

Aan mijn prinses
Liefste, hart en woorden
Houden voor jou stil,
Jij blinde vlek in mijn vermoorden
Van wat ik vergeten wil.

Kleine vink, lieve kleine kinkel
– De liefde speelt mij parten –
Baby-face, bijou, scharminkel
Voor wie ik alles weer wil tarten

Tot ik, als vroeger, blind van pijn
Weer neerlig, eenzaam in het laken.
Het gaat niet om het zijn
Maar om wat wij er van maken.

Envoi:
Prinses, ik schrijf wat ik bewonder,
Wat ik vrees, bemin of haat
Prinses, nu ik u ken kan ik niet zonder,
Gedoog niet dat ik u verlaat.

 

Een Marsman op aarde
Altijd het afgewend zijn, het leven
In een landschap dat ik niet ken,
Verscheurd door de schuld
En verlangen naar het einde
Van de twijfel die ik ben.

Altijd hongerig in deze platgebrande,
Nietige wereld waarin ik niets herken
En zoek naar de onrust die mij heeft bepaald
Maar waarvan ik blijf afgewend, kortademig
En door geen mens gekend.

En ik ben alleen, zoals enkel die mens
Alleen was, poging tussen einde en begin.
Na de behaaglijke blindheid jeugd
De zure geur van zoveel vrouwen
Die niets in mij ontstaken dan nacht,

Dan kortstondig stamelen voor de stilte.
Ik heb niemand gekend en niemand kent mij.
Geen antwoord: echo’s, spiegelingen, rook.
Gebeente staat stijf in mijn vlees
Zoals ik in de anderen doodstil

Wachtend op het langzaam ontbloten.

 

Eenhoorn
Here, zonder naam en zonder gezicht
Zie vanuit den hoge
Op uw droeve eenhoorn neer
Die danig hunkert naar uw licht,

Die sierlijk door de wouden dwaalt
Maar bladeren geen voedsel vindt,
die voor de poort der doden draalt,
Allen bladeren op uw wind.

Here, zonder handen zonder stem
Snij de lichtlans van zijn voorhoofd
En vang hem in uw stalen klem
Voor de wereld hem de glans ontrooft,

Lok hem langs de stapsteen sterven,
Niet als anderen domweg gedoofd
Maar rein, vrij van bederven
Langs de kruisweg waar hij in gelooft.

 

 

Groetjes,

Louise

 

 

 

Advertenties

2 Replies to ““Op een dag zal ik weg zijn en wat dan?””

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s